Het ruist pal boven zich voltooiend graan.
Een zwaluw scheert de toppen langs en toont
zigzaggend aan dat gis- en wiskunst loont.
Ik hoor al klokken slaan in Ispahaan.
De zon wil ook geen streepje verder gaan.
Ondeelbaar ogenblik waar schaduw woont
verscholen in het licht dat loodrecht troont.
Een punt des tijds. Ik word terstond verdaan.
Maar ik, ik tref mij onverlet alleen
diep in de crypte waar het denkend riet
papyri leest en hunkert naar rivieren
in Egypte, en zie nu ponydieren,
wagens, kinderen. Ik hoor hun lied.
Het trekt in merg en been. Het trekt bijeen.
© 1999
Abel Staring / De Gekooide Roos